Varen in oorlogstijd
Bertus Fockens, zeeman-bakker bij de Amsterdamse rederij Stoomvaart Maatschappij Nederland, zijn reizen op het m.s. Oranje en Johan van Oldenbarnevelt, 17 januari 1940 tot 19 januari 1946, en een bijzondere vondst.
>Bertus Fockens, zeeman-bakker bij de Amsterdamse rederij Stoomvaart Maatschappij Nederland, zijn reizen op het m.s. Oranje en Johan van Oldenbarnevelt, 17 januari 1940 tot 19 januari 1946, en een bijzondere vondst.
>De weduwe van de in 1616 vermoorde Hans van Wely, Leonora Hakens, liet in ±1620 Herengracht 282 en 284 bouwen en ging op nr. 282 wonen. In 1670 woont in Herengracht 284 de koopman Jeremias Casteluyn, “In de Stadt Praag”. Beide huizen hadden rijke trapgevels en waren waarschijnlijk identiek. Herengracht 282 heeft deze gevel langer behouden dan nr. 284. Dit huis werd nl. in 1728 gekocht door David, Margaretha en Hillegonda Rutgers, de drie kinderen van Adriaen Rutgers. Zij lieten het huis inwendig en uitwendig verbouwen en vergroten. De voorgevel wordt in Lodewijk XIV-stijl vernieuwd en verhoogd en er worden een achterhuis en tuinhuis gebouwd.
>Deze zandstenen halsgevel-tweeling uit 1665 is gebouwd in de stijl van het Hollands classicisme en wordt soms toegeschreven aan Justus Vingboons. De klauwstukken zijn in hetzelfde materiaal uitgevoerd als de rest van de gevel, namelijk zandsteen, maar omdat de hals iets naar voren komt, kan toch gesproken worden van een halsgevel. De twee huizen zijn gebouwd in opdracht van Jan Teeringh.
>Dit dubbele huis staat fraai tegenover de Beulingsloot, waardoor het ook vanaf het Singel te zien is. De bouwheer was Carel Gerards. Het huis heeft een pilaster-lijstgevel, ontworpen door Philips Vingboons in de stijl van het Hollands classicisme. De gestapelde pilasterorde bestaat uit Dorische pilasters met daarboven Composiet pilasters, geheel in overeenstemming met het in die tijd veel gebruikte traktaat uit 1615 van de Venetiaanse architect Scamozzi.
>Dit grachtenhuis is bijzonder goed bewaard gebleven en maakt nog deel uit van de oorspronkelijke bebouwing van dit deel van de stad. Het huis heeft een gevel in de Amsterdamse renaissancestijl, de ‘stadsstijl’ van de vroege 17de eeuw. De bakstenen trapgevel wordt gekenmerkt door ontlastingsbogen met natuurstenen sluit- en middenstenen, doorlopende banden, grote trappen met klauwstukken en een gebroken topfronton. Ook heeft de gevel dubbele pilasters, een typisch kenmerk van gevels ontworpen door Hendrick de Keyser.
>Russische Kozakken speelden in november 1813 bij de bevrijding van Amsterdam van het Napoleontische juk een cruciale rol. Door deze machtswisseling kon de Amsterdamse elite een essentiële invloed uitoefenen bij de terugkeer van de Oranjedynastie: de aanvaarding van de constitutionele monarchie, geënt op de verworvenheden van de Franse Tijd.
>Het Huis Bartolotti werd in ca. 1617 gebouwd voor Guillelmo Bartolotti (Willem van den Heuvel), één van de rijkste Amsterdammers in die tijd. Op Bartolotti’s huis staat hoe hij aan die rijkdom kwam: er zijn twee cartouches aangebracht met links het geschilderd opschrift “Ingenio et Assiduo Labore” (door vernuft en noeste vlijt) en rechts “Religione et Probitate” (door godsdienst en rechtschapenheid). Het huis is één van de drie nog bestaande voorbeelden van een vroeg 17de-eeuws huis met zijhuis: een voorloper van het zgn. dubbele huis. De andere voorbeelden zijn Singel 140–142 (De Dolphijn, ±1600) en Keizersgracht 123 (“het Huis met de Hoofden”, 1622).
>Een 17de-eeuwse trapgevel en een 18de-eeuwse halsgevel zijn in 1790 gesloopt om dit dubbele huis te bouwen, in opdracht van Tjaerd Anthony van Iddekinge (wiens zoon op 5 juni 1790 de eerste steen legde). Het huis kreeg een opmerkelijke geschiedenis. Het werd in 1808 verkocht aan de bezettende Franse overheid. In 1810 ging gouverneur-generaal C.F. Lebrun (1739–1824) er wonen. Na het vertrek van de Franse regering kwam het pand in rijkshanden. In 1831 vestigde de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) zich in het pand. Voor de eerste keer werd een grachtenpand op de Herengracht omgebouwd tot kantoorpand. In 1858 vertrok de NHM naar Herengracht 466. In 1996 werd Herengracht 40 weer geschikt gemaakt voor bewoning.
>Toen Beatrix in 1980 werd ingehuldigd als koningin legden veertien Kamerleden geen eed af aan de nieuwe vorstin en toen koningin Wilhelmina in 1898 werd ingehuldigd was de latere minister-president Abraham Kuyper niet aanwezig. Tijdens de nieuwe troonswisseling zijn er opnieuw Kamerleden die geen eed hebben afgelegd.
Nadat de Franse legers Europa smeulend en in puin hadden achtergelaten, begon met het Congres van Wenen in 1815 de restauratie van de ‘oude wereld’. Voor de meeste Europese landen betekende dit een terugkeer naar eerder afgezette koningen en bestaande vorstenhuizen. Voor Nederland lag dit anders. Het land was de voorgaande twee eeuwen een republiek geweest. Dat ons land voor het eerst in zijn geschiedenis een autonome monarchie werd, kon grotendeels op het conto worden geschreven van het falen van de patriottische revolutie en de Franse gelijkheidsidealen.
>Nederland zuchtte sinds 1795 onder het Franse juk, de laatste jaren als onderdeel van het keizerrijk van Napoleon. In de loop van 1813 kwam het einde in zicht. Als de soldaten van Napoleon op 14 november in het holst van de nacht de stad hebben verlaten, steekt een groepje Amsterdammers de volgende avond de douanehuisjes in brand.
>Tijdens het Congres van Wenen in 1815 werd het Europa na Napoleon gevormd. In heel Europa schoven grenzen en werden nieuwe landen gevormd. Ten behoeve van een nieuw machtsevenwicht werden aan de noordzijde van Frankrijk de voormalige Republiek der Verenigde Nederlanden verbonden met de vroegere Oostenrijkse Nederlanden met inbegrip van het prinsbisdom Luik, het prinsdom Stavelot-Malmedy, het hertogdom Bouillon en nog wat kleinere zelfstandige gebieden. Hiermee ontstond het nieuwe Koninkrijk der Verenigde Nederlanden. Na het Congres van Wenen kregen de cartografen het druk, want in heel Europa moesten grenzen verlegd en kaarten herzien worden.
T/m 9 februari is de tentoonstelling Atlas der Neederlanden: de dageraad van het Koninkrijk bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam te bezichtigen.
De Atlas der Neederlanden is hoogstwaarschijnlijk uitgegeven door de Amsterdamse kaartenuitgeverij Covens en Mortier. De geschiedenis van het bedrijf beslaat bijna twee eeuwen, van de eerste activiteiten van Pieter Mortier in 1685 tot de opheffing van de firma in 1866. Van belang voor de Atlas der Neederlanden is de periode waarin Cornelis Covens (1764-1825) het bedrijf bestierde. Hij onderscheidde zich van andere betrokkenen bij het bedrijf door zijn eruditie, zijn wetenschappelijke belangstelling en nieuwsgierigheid. Van 1790 tot aan zijn dood in 1825 bepaalde hij de gang van zaken in het bedrijf en zijn intellectuele veelzijdigheid en zakelijk talent brachten een opvallende vernieuwing teweeg.
>In 1575 vervaardigde Joost Jansz Beeldsnijder in opdracht van de hertog van Alva een grootschalige kaart van het noordelijke deel van Holland. De kaart moest de Spaanse troepen de weg wijzen in het onherbergzame, waterrijke gebied.
>In 1792 was de aanduiding ‘Noord-Holland’ op een kaart niet vanzelfsprekend – de gelijknamige provincie zou pas na de Franse tijd, in 1840 in het leven geroepen worden. In onderstaande kaart zitten enkele verwarrende chronologische eigenaardigheden opgesloten. Het spreekt vanzelf dat een kaart van Noord-Holland het atlasdeel over ‘Holland boven het IJ’ of ‘Hollands Noorderkwartier’ opent. De kaart maakt in zoverre zijn naam waar dat niet alleen het Noorderkwartier, maar ook de eilanden Texel, Vlieland en Terschelling een plek hebben gekregen. Deze laatste twee behoorden toen nog bij de provincie Holland.
>Zoals in de zestiende eeuw het werk van Jacob van Deventer (1500/1505 – 1575) maatgevend was voor andere kaartmakers, zo was de kaart van Cornelis Kraijenhoff dat in de negentiende. Beide mannen voerden vernieuwende en nauwkeurige metingen uit voor het hele land, die een grote invloed hadden op en lang doorwerkten in andere kaarten. Kraijenhoffs kaart en vooral de methode van de driehoeksmeting die eraan ten grondslag ligt, vormden de basis voor de in 1864 voltooide Topographische en Militaire kaart van het Koninkrijk der Nederlanden op de schaal van 1:50.000, de oorsprong van de huidige ‘stafkaart’.
>In de collectie van het Scheepvaartmuseum bevindt zich een aantal modellen van koninklijke schepen, zoals de Gouden Draeck en de Koningssloep. In 1818 kreeg koning Willem I een statige sloep cadeau van de Marinewerf te Rotterdam. Als ‘maritieme natie’ bij uitstek lag het voor de hand dat de kersverse koning eveneens over een representatief vervoersmiddel te water zou beschikken. Het duurde bijna 23 jaar voordat de Koningssloep officieel in gebruik werd genomen. De Koningssloep is 24 keer gebruikt sinds de bouw. Het schip is altijd exclusief gebruikt voor feestelijke gebeurtenissen in gezelschap van het Koninklijk Huis.
>Afscheid nemen is een zeeman niet vreemd, het overkomt hem telkens weer. Soms lijkt het of het leven alleen maar uit afscheid nemen bestaat. Afscheid van thuis, je ouders, geliefden dichtbij en ver weg, soms ook van een fase in je leven. In de meeste gevallen wordt het afscheid op enig moment gevolgd door een weerzien, maar niet altijd. Dit verhaal gaat over de vriendschap van twee schooljongens uit Baarn, hun verlangen om te gaan varen en een afscheid niet gevolgd door een weerzien. Het verhaal van een vriendschap ingehaald door de dood.
>Na de Franse tijd kregen de Nederlandse katholieken steeds meer ruimte om hun geloof uit te oefenen. De Posthoornkerk getuigt hier nog van.
>Koning Willem I had graag controle over de kerkbouw. De staat financierde voor een deel de bouw van nieuwe kerkgebouwen, maar deze kwamen tot stand onder supervisie van het ministerie van Waterstaat.
>